0174-242101 info@cnls.nl

Bij leer- of gedragsproblemen is er vaak een nauwe relatie met de manier van zien, maar niet zo zeer met het scherpzicht. Een bril aanmeten levert vrijwel  nooit een vermindering van de leerproblemen op, omdat zo’n bril niets verandert aan de manier van zien.  Je ziet wel scherper, maar niet anders. En daar zit nou juist het probleem. Daardoor blijven de leerproblemen vaak bestaan, omdat die juist te maken kunnen hebben met dat anders zien.

Wat houdt dat “anders zien” in?

De informatie komt binnen via het oog, dat is de hardware kant. Daar houden oogartsen en opticiens zich mee bezig. Maar het  gaat bij leerproblemen juist om wat het brein met die informatie doet: de software kant. Dat houdt in het verwerven en verwerken van visuele informatie in al zijn complexiteit. Wat is het, waar is het en opzichte van mij en kan ik het gebruiken? Kan ik het onthouden en me later juist herinneren en voorstellen? Kan ik het omzetten in taal (bij het lezen bijvoorbeeld). Je moet de informatie kunnen organiseren en lokaliseren. Als dat niet goed lukt zie je geen verbanden en komt alles als losse stukjes zonder samenhang binnen. Dat is overweldigend veel. Zo veel dat het ondoenlijk en bijzonder uitputtend kan zijn om alles te verwerken, te ordenen en rangschikken, te herkennen en gebruiken: je raakt overprikkeld en gestrest. En anderen staan al gauw klaar om een etiket te plakken: add, adhd, autisme, nld. Zo’n plakker lijkt reuze handig, want iedereen schijnt dan meteen te weten wat er scheelt. Niets is minder waar. Het naampje op het etiket is geen diagnose. Het is gewoon een naam. Het zegt niets over de oorzaak en ook niet over een oplossing.

Bij leerproblematiek is het niet anders. Er zijn genoeg labels en etiketten voor als iets niet lukt: dyslexie, dyscalculie, dysorthografie. Maar ook deze plakkers houden geen diagnose in. Ze geven aan dat iets niet goed lukt. Maar geen oorzaak en geen probleemoplossing.

Zien speelt bij veel van deze leerproblemen een cruciale rol. Het is  niet voor niets, dat vrijwel alle testonderdelen binnen het performale intelligentieonderzoek visueel gerelateerd zijn. Denk maar aan de blokpatronen, figuren afmaken, figuur-achtergrondscheiding, doolhoven. Al deze items hebben een visueel ruimtelijke component. En dat is de link met het zien dat niet door een oogarts of opticien bekeken wordt: hoe wordt de ruimte rondom waargenomen. Zitten er vervormingen of hiaten in die ruimtelijke waarneming, snap ik wel wat ik ruimtelijk waarneem, interpreteer ik de ruimte om me heen wel op een efficiënte en adequate manier? Kan ik in een oogopslag verbanden zien, bewegingen juist inschatten, bepalen wat van belang is op dat moment en wat juist niet? En hoeveel energie moet ik erin steken om dat voor elkaar te krijgen?

Dat soort zaken werken door in het verwerken van de visueel ruimtelijke informatie die binnenkomt, en die je koppelt aan ruimtelijke begrippen. En dat zijn er nogal wat. Alleen al tijdens een gewone rekenles vliegen ze door de klas. De derde van links, de laatste, de achterste, de hoogste, de een na laatste. Maar ook de optel en aftrekrichting in sommetjes zoals 5 + 3 en 9 – 4 is ruimtelijk gerelateerd. Optellen doe je de ene kant op en aftrekken de andere kant. Dan moet je daar wel aan toe zijn, dat omgaan met verschillende richtingen. De ontwikkeling daartoe begint bij jezelf als kind. Als je in groep vier zit en nog steeds aan je eigen lijf niet weet wat links en rechts, voor en achter en onder en boven is, dan zal het buiten je eigen lijf, in de ruimte om je heen, niet mogelijk zijn om die begrippen een juiste vulling te geven of juist te interpreteren en te gebruiken.

Al deze zaken hebben een ding gemeenschappelijk: ze verlopen via het leren zien van de wereld rondom. De visuele voorstelling is een onmisbare schakel in dat leerproces. Het is een onderdeel in de ontwikkeling die nodig is om te kunnen leren lezen, rekenen en spellen. Die visuele voorstelling is nauw gekoppeld aan de manier van waarnemen en de verwerking van die waarneming door de hersenen. Door onze voorstelling op te nemen in onze ervaringen en onze planning zijn we in staat doelgericht bezig te zijn. Dit proces staat bekend als het domein van de executieve functies. Dat woordje executief houdt in: uitvoerend met de informatie die beschikbaar is voor mij als persoon.

We komen er weer even op terug: simpel een bril aanmeten om het scherpzicht te verbeteren is zelden toereikend als het gaat om leerproblemen, omdat het slechts een (1) facet van het totale visuele waarnemingsproces beslaat:  wat zie ik. En dan nog. Een paar letters op zes meter testafstand scherper zien is in feite een enorm wereldvreemde test. Want het gaat tenslotte om het visueel functioneren in de wereld rondom ons. Daar heb je nooit te maken met alleen maar een paar letters in het platte vlak recht voor je. Nee, daar krioelt een hele masse visuele informatie door elkaar. Verderweg, maar ook dichterbij. Bewegend in verschillende snelheden,  veranderend van vorm. Wat heeft met wat te maken, wat is belangrijk, wat niet. Wat negeer ik, waar richt ik me juist op.

Zien is een complex dynamisch visueel ruimtelijk geheel, dat niet eventjes te vangen is in een qua informatie beperkt statisch scherpzichttestje.

Bij leer- en bepaalde gedragsproblemen is er een nauwe relatie met zien. Het stellen van een  juiste diagnose met een duidelijke problematiekrelatie en een adequaat behandelingsplan is een eerste vereiste en spitst zich vooral toe op het anders leren zien.

In ons onderzoek maken we gebruik van de VFA test. Dat staat voor Visuele Functie Analyse. Deze staat bekend als een van de beste visuele onderzoeksprotocollen ter wereld. We gaan op zoek naar de oorzaken van leer- of gedragsproblemen in relatie met de visuele waarneming in al zijn facetten. We doen dat in combinatie met onderzoek naar de totale persoonlijkheidsontwikkeling en het praktisch functioneren.

Will Missot, www.cnls.nl